zondag 2 oktober 2011

De Slavernij

Ik heb nu drie afleveringen van De Slavernij gezien. De serie wordt steeds beter! Het eerste deel was nogal rommelig en ik vroeg mij af wat er van de rest moest worden. Het tweede deel richtte zich vooral op de roots van de Afrikanen, speelde zich geheel af in Ghana en was veel beter te volgen. Roué en Daphne vertelden dat er meer dan 12,5 miljoen Afrikanen naar de Amerika’s getransporteerd werden. Een vreselijk aantal, mede doordat de Nederlanders (met name de Zeeuwen) verantwoordelijk waren voor maar liefst 600.000 personen. Alleen al in de periode 1750-1830 werden er ongeveer 110.000 slaven in Suriname ingevoerd. Het derde deel ging over het transport van al deze mensen over zee. Indrukwekkend verhaal van Leo Balai over de ondergang van de slavenschip De Leusden in de monding van de Marowijne. Waarschijnlijk de grootste scheepsramp in de Nederlandse gescheindenis, maar tot vanavond had ik er nog nooit van gehoord.
.


Surinaamse planters hadden tegen het einde van de achttiende eeuw in het buitenland de reputatie zeer wrede slavenhouders te zijn. Het beruchtste voorbeeld was Susanne de Plessis. (zie Hoe duur was de suiker). Ook in Erfenissen van Suriname is een triest voorbeeld te lezen. Het verhaal van de Plessis werd en wordt vaak aangehaald en lijkt exemplarisch te zijn geworden voor de manier waarop alle plantage-eigenaren met hun slaven omgingen.
Of dit waar is zal wel nooit echt duidelijk worden. Wel is het zeker dat het leven op de plantages zwaar was. Plantageslaven werkten zes dagen per week, van maandag tot en met zaterdag. Over het algemeen maakten zij lange dagen. Zij werden om vijf uur in de morgen gewekt en werkten door tot zes uur ’s avonds. Het leven op de suikerplantages was het zwaarst omdat het kappen van suikerriet zwaarder werk was dan het plukken van katoen en koffiebonen. Daarnaast was het graven en onderhouden van het kanalenstelsel in de zware klei een vreselijk zwaar werk.

Opvallend is dat slaven in het begin van de slavernij niet als mensen werden gezien maar als kapitaalgoederen. Vooral in de tijd dat andere landen de slavernij al hadden afgeschaft werd dit kapitaalgoed schaars. Waarschijnlijk verklaarde dit mede het feit dat er steeds meer regels voor de behandeling van slaven kwamen. Veel van die regels gingen over de voedselvoorziening. Pas in het slavenreglement van 1759 werd vastgelegd dat de planter verplicht was zijn slaven behoorlijk te voorzien van kleding en lakens. Aan huisvesting werd amper geld uitgegeven. Pas in de 19e eeuw werd er meer aandacht aan medische voorzieningen geschonken. In het algemeen zorgde men dus heel slecht voor de slaven. Dit kwam vooral doordat de plantages veel Europeanen (niet alleen Hollanders) aantrokken die heel snel rijk wilden worden, vaak geeneens in Suriname woonden en het niet interesseerde wat er zich op hun plantages afspeelden; zolang er maar veel verdiend werd in een zo kort mogelijke tijd. Veel van de verhalen over mishandeling van slaven op de plantages kwam dan ook van rondreizende bezoekers. Diverse moderne onderzoeken geven aan dat de behandeling van de slaven in Suriname niet veel slechter was dan in naburige landen. Dat is natuurlijk een zeer relatief begrip.

Was het al onmenselijk om mensen uit hun geboorteland te halen en als kapitaalgoed te verhandelen, ook de keiharde onderdrukking en slechte behandeling van de slaven maken van de toenmalige opvatting van blanken gaan naar de hemel en slaven naar de hel een bijzonder hypocriete stelling.



.