zondag 22 mei 2011

geschiedenis van de landbouw in Commewijne

De afgelopen weken vanaf de Commetewanekreek de Commewijne virtueel afgezakt en ondertussen heel wat plantages bezocht. Ergens tot aan Marienburg gekomen. Dat wordt een klus op zichzelf om de geschiedenis van die roemruchte plantage te beschrijven. Daarna overgestoken naar de andere oever. Ook dat gedeelte is relatief jong. Het hele gebied is trouwens aangelegd na het gereedkomen van Fort Sommelsdijk op de samensmelting van de Commewijne en de Cottica. Dat was omstreeks 1745. Al die plantages werden uitgegeven met dezelfde standaardgrootte en breedte. Daarmee krijgt het beneden Commewijne gebied het beeld van een strak aangelegde Hollandse polder. Dat besefte ik mij nog eens toen ik vanochtend bij ons door de polder (Krimpenerwaard liep). Ook daar zie je boerderijen met precies dezelfde lengte en breedte van de weilanden.

De landbouwkundige geschiedenis van de plantages is in grote lijnen gelijk. Ik moet dat nog wat verder uitwerken. Maar het grote plaatje is als volgt. Het gouden tijdperk van de suikerrietteelt was na de crisis op de beurs van Amsterdam in 1773 (ja, toen ook al!) voorbij. De meeste plantages werden dan ook aangelegd als een koffieplantage. Dat scheelde ook een hoop werk, want er hoefden geen kanalen (trenzen) voor het vervoer van het suikerriet aangelegd te worden. Na het instorten van de koffiemarkt, doordat andere landen goedkoper koffie konden produceren, schakelde het hele gebied over op cacao. Ook daar ging het mis mee, want er treedt een ziekte op in de cacaobomen en de productie daalt hard. Dan zie je dat een groot deel van de plantages de koffieteelt weer oppakt. Ondertussen wordt er in het hele gebied gedurende korte tijd katoen geteeld. Begin 1900 worden de meeste plantages, die dan nog bestaan, omgezet tot een Naamloze Vennootschap. Rijst is in die tijd het volgende redmiddel. Helaas blijkt in de meeste gevallen de bodem niet geschikt voor de rijstteelt. De plantages die nog voldoende veerkracht hadden gingen over op de citrusteelt. Op een paar plantages in het Commewijnedistrict is ook nog rubber verbouwd. En dan vergeet ik voor het gemak maar even de hoop op een bloeiende bananenteelt door een deal met Chiquita. Nu zijn er nog maar heel weinig plantages in productie. Het laatste project waar ik wat van las, was de teelt van de Surinaamse oliepalm (obé) op Marienburg (daar is ie weer) en met aanlevering door omliggende plantages. Dat systeem ken ik nog vanuit Honduras en Costa Rica. Voordeel van de Surinaamse oliepalm is dat ie resistent is tegen de ziekte speerrot die heel de aanplant op Victoria in het Brokopondo district wegvaagde. Hopelijk wordt het een succes!

Dat brengt mij trouwens op nog een analogie met de Hollandse polders. In Suriname zijn veel plantages teruggegeven aan de natuur doordat de economische omstandigheden het beheer niet meer mogelijk maakte. Datzelfde zie je ook in de Krimpenerwaard gebeuren. Veel onrendabele bedrijven worden opgekocht door het Zuid-Hollands Landschap en worden omgezet tot natuurgebied. Een laatste analogie zag ik toen ik langs een sluis liep. Daar heb ik maar even een foto gemaakt en er één van een plantage in Commewijne gezocht.



Ik merk trouwens wel dat het speurwerk lastiger wordt. De plantages waarvan veel info op Internet te vinden is heb ik wel een beetje gehad. Jammer dat de website van het Surinaams Archief , waar veel naar verwezen wordt, blijkbaar is opgeheven. Dat betekent dat ik meer naar de Koninklijke Bibliotheek moet. Ik ben daar een paar keer geweest, maar trapte daar in de valkuil van een verkeerde afweging tussen de kwantiteit (weinig info van veel plantages) en kwaliteit (veel info van een enkele plantage). Gelukkig kan ik, wanneer is het gevoel heb vast te lopen, steeds overstappen naar een biografie over één van de boeiende personen die in Suriname leefde. Ook dat is leuk speurwerk.