zondag 10 april 2011

Fransen in Suriname

Dat Suriname een fascinerende mengelmoes is van diverse culturen wist ik natuurlijk wel. Indianen en bewoners met voorouders in Afrika en Azië (Chinezen, Javanen, Hindoestanen) en Europa vormen een letterlijk kleurrijk mengsel. De hypocriete scheiding tussen blank en zwart in het plantagetijdperk heb ik al deels beschreven in mijn blog over Elisabeth Samson. In een volgend blog wil ik daar op door. Nu wil ik wat kwijt over de afkomst van de blanke immigranten. Tot nu toe was ik in de veronderstelling dat alle blanke plantage-eigenaren uit Nederland kwamen. Dat bleek wel een heel simpele veronderstelling! Als eerste kwamen de Engelsen. Bij de overname door de Zeeuwen op 1 mei 1668 waren er 24 plantages. Vier waren er in het bezit van Hollanders, de anderen waren van Engelsen en Portugese Joden. Daarna komen er immigranten vanuit heel Europa. Dat zie je goed aan de namen van de plantages. Naast Nederland en Engeland vind je namen die terug te leiden zijn op Duitsland, Schotland, Ierland, Polen, Zwitserland, België, Spanje en Italië.

Een bijzondere groep kwam uit Frankrijk. Om van Suriname een bloeiende kolonie te maken gaf gouverneur van Sommelsdijck gratis grond uit aan mensen die zich als kolonist in Suriname wilden vestigen. Er waren echter weinig Nederlanders die naar Suriname wilden komen, dus moest van Sommelsdijck de kolonisten ergens anders vandaan halen. Een belangrijke groep die in deze tijd wel naar Suriname wilden komen waren Franse Hugenoten. Dit waren Franse protestanten die in hun eigen land vanwege hun godsdienst werden vervolgd. In Suriname waren ze wel vrij om voor hun geloof uit te komen
Veel van hen waren van adel. Familienamen die ik tot nu toe ben tegengekomen zijn du Plessis, Pichot, Nepveu, de la Jaille, Castaigne, l’Espinasse, Cellier, Crommelin en de Rayneval. Velen van hen kregen invloedrijke functies in Suriname. Een aantal van deze families hebben een rol gespeeld in het verzet tegen gouverneur Mauricius en werden door hem “de Cabale” genoemd.

Opvallend is de concentratie van Fransen rondom de Orleanekreek. Hier vind je vlak naast elkaar plantagenamen als St. Germain, Mon Affaire, Ma Retraite, Montpellier, en Lanquedoc. Deze concentratie doet mij twijfelen aan de naamgeving van de kreek. De twee gangbare versies zijn dat het een verbastering is van de Hoer Helena kreek. Deze naam staat ook op oude kaarten. Een andere versie leidt de naam terug naar de Orleaanboom. De naam van deze boom komt van Francisco de Orellana, een Spaanse conquistador. Deze boom levert een gele kleurstof (annatto) die veel geld opbracht en waar door de Zeeuwen druk in gehandeld werd. Deze kleurstof werd bijvoorbeeld gebruikt om boter te kleuren.
Ik denk zelf aan een derde mogelijkheid. Wellicht is de naam, gezien het grote aantal Fransen die aan de kreek woonden, afgeleid van de Franse stad Orléans. Daarna werd die naam misschien spottend verbasterd tot Hoer Helena of Orleane. Ik kan het (nog?) niet bewijzen, maar het lijkt mij een aannemelijke verklaring.